Hoe ontstaat en groeit een gletsjer?

Gletsjers komen voor op alle continenten, voor zover je Nieuw-Zeeland en Nieuw-Guinea tot het continent Oceanië rekent.

Gletsjervorming hangt af van specifieke omstandigheden in het lokale klimaat: de hoeveelheid neerslag, temperatuur en de aanwezigheid van een accumulatiezone. Alpiene gletsjers bestaan uit deze accumulatiezone, ablatiezone en firn-zone.

Accumulatiezone

De accumulatiezone is het gebied waarin sneeuw valt en op de gletsjer terecht komt. Vergelijk dit met een rivier: het is niet alleen de sneeuw die op de gletsjer zelf valt. Het is ook de sneeuw die op andere wijzen terecht komt op de gletsjer: Dit kan komen door bijvoorbeeld de wind, maar ook door lawines.

Firnzone

Waar deze sneeuw terecht komt en vervolgens omgezet wordt in “firn” (samengeperste sneeuw) en later tot ijs, is de firnzone. Firn is nog open en poreus, maar compacter dan sneeuw. Het is de harde sneeuwlaag die ontstaat door compressie van boven: het gewicht van de sneeuw perst de sneeuw samen. Dit vormt ook de “eeuwige sneeuw”: de sneeuw van het vorige jaar blijft liggen tot in de winter, waar vervolgens een verse laag sneeuw op komt. De druk en volume is echter onvoldoende om de firn om te zetten in ijs.

Op de afbeelding hieronder zie je de door mij getrokken zwarte lijn op de Glacier de Saleina in Zwitserland, op de grens met Italië en Frankrijk. Deze lijn geeft min of meer de accumulatiezone aan: sneeuw valt bijvoorbeeld op de Aiguille d’Argentiere en valt als lawine op deze gletsjer. De blauwe lijn geeft de firnzone aan: hier blijft de sneeuw in principe het hele jaar liggen en veranderd dus in firn. Als er meerdere jaren sneeuw op valt, wordt het door de toegenomen druk ijs en gedraagt het zich als een vloeistof en stroomt het naar beneden.

Door het naar beneden stromen komt het ijs in de ablatie-zone. Deze begint bij de gele pijl en is de lijn waar het ijs niet meer bedekt wordt door firn.

Hoe ontstaat een gletsjer? Hiervoor is voldoende sneeuw nodig in de accumulatiezone, een grote firnzone en een kleine ablatiezone.
Het ontstaan van een gletsjer

Deze scheiding vindt plaats op de “equilibrium-lijn”. Dit is dus de lijn waar de jaarlijkse hoeveelheid sneeuw net zo groot is als het verlies door smelt of verdamping. Een gletsjer groeit als er meer sneeuw valt dan er in de ablatie-zone afsmelt. De grootte van het firnbekken bepaalt in belangrijke mate hoe lang een gletsjer kan worden: er is een groot aanbod van ijs wat kan ontstaan en verder naar beneden kan vloeien. Ook de hoeveelheid neerslag is uiteraard sterk bepalend voor de hoeveelheid ijs welke ontstaat, evenals de temperatuur in de zomer. In jaren waarin veel sneeuw valt in de winter en met een koele zomer, kan een gletsjer groeien (zowel in lengte als in massa).

Laat een reactie achter